 |

De Italiaanse exploitationfilm
Obelix zei het al: rare jongens, die Romeinen. Dat geldt ook voor de Italiaanse filmmakers. Buiten de gevestigde namen als Fellini, Pasolini en Antonioni, waar de Italiaanse film internationaal bekend om staat, bestaat (of bestond, erg actief is hij al lang niet meer) er een onderlaag van filmers die hun geld verdienen met exploitation van het zuiverste soort: het tot uitdrogens toe uitmelken van populaire genres en trends.
Blijkbaar werken deze heren volgens afspraak, want afhankelijk van het tijdperk storten ze zich gezamenlijk en massaal op één genre. Ik denk dat het allemaal begonnen is in de jaren zestig met de spaghetti western. Sergio Leone's A Fistful Of Dollars was baanbrekend. De eerste spaghetti western ooit maakte van Clint Eastwood, Ennio Morricone en Leone zelf supersterren en van Italië producent nummer 1 van westerns.
Iedere grijpgrage producent had namelijk al snel de plannen en het script klaar voor een eigen western, die meestal hetzelfde patroon volgde als A Fistfull Of Dollars: een stoïcijnse held, meestal gespeeld door een onbekende Amerikaanse acteur, een stadje in de woestijn, een paar zeer gemene bad guys en veel geweld. De spaghetti western was een genre geworden, met zijn eigen fans en zijn eigen helden: Clint Eastwood die in nog twee Leone-films meespeelde voordat hij zijn westerns in de USA ging maken, Franco Nero oftewel Django, Charles Bronson die de opvolger van Eastwood was in Leone's Once Upon A Time In The West en natuurlijk de eeuwige zondagmiddag-helden Bud Spencer en Terence Hill.
Totdat de westernbron opgedroogd was. Toen was er een nieuw genre waar men zich met genoegen op kon werpen: de giallo. Afgeleid van de pulpromannetjes uit de twee decennia daarvoor (waar ook de naam van het genre vandaan komt. Giallo, oftewel geel, was de kleur van het papier waarop die boekjes gedrukt werden), waren thriller-achtige moordmysteries de rage in de eerste helft van de jaren zeventig. Aangevoerd door regisseur Dario Argento, die nog een van de schrijvers van Once Upon A Time In The West was geweest, produceerden onze Italiaanse vrienden de ene na de andere giallo, waarbij ze alle succesvolle kenmerken van elkaar kopieerden in de zoektocht naar het snelle geld.
Formules waren uiteraard ook hier de orde van de dag. Altijd was er een vrouwenmoordenaar, meestal droeg hij zwarte handschoenen en liep hij rond in Rome. Het meest opvallende aan het genre waren de titels, waaraan de giallo uit duizenden was te herkennen. Die hadden òf de naam van een kleur in zich (Sette Notte In Nero, Profondo Rosso), òf de naam van een dier (Non Si Sevizia Un Paperino, Lucertola Con La Pelle Di Donna), òf ze waren in de vorm van een vraag, waarin altijd een vrouwennaam voorkwam (Quando Alice A Ruppe Lo Specchio? Perche Quelle Strane Gocce Di Sangue Sul Corpo Di Jennifer?).
De regels voor de Italiaanse exploitation lagen nu vast. Amerikaanse of Engelse acteur in de hoofdrol, zelfde verhaal als je voorganger, een crew met veel goedkope nieuwkomers en een op zijn retour zijnde regisseur aan het hoofd. Dezelfde regisseursnamen doken steeds weer in de verschillende genres op: Lucio Fulci, Antonio Margheriti, Enzo Barboni, Sergio Martino. Meestal werkten ze onder doorzichtige Engelse pseudoniemen (respectievelijk: Louis Fuller, Anthony Dawson, E.B. Clucher en Martin Dolman). Bekijk hun filmografie en zie daar het bewijs: in de jaren zestig een paar spaghetti westerns, begin jaren zeventig een paar gialli, eind jaren zeventig een zombie- of kannibalenfilm, begin tachtig een Conan-kloon en eind jaren tachtig een Platoon of Rambo rip-off. Tot ver in de jaren tachtig bleef men massaal bezig met het kopiëren van elkaar en van Hollywood.
Helaas liggen de goede jaren nu achter ons. Na de italo-Vietnam golf in de voetsporen van Platoon en Rambo was het over en uit. De Amerikaanse direct to video-industrie heeft de rol van de Italianen inmiddels overgenomen en heeft zijn eigen regels en sterren gecreëerd. In Italië waagt nog slechts een enkeling, zoals onverbeterlijke Joe d'Amato, die zich heeft opgewerkt tot status van Italiaanse Roger Corman, zich aan pure exploitation. Het is tekenend voor de hele Italiaanse (en zelfs Europese) filmindustrie. De grote jongens (Fellini en co.) zijn dood of dement, voor exploitation geeft niemand zijn geld meer uit en voor financiering moeten regisseurs naar het buitenland. De enige die binnen Italië nog films financiert is Silvio Berlusconi.
Net als in andere Europese landen (Spanje, Engeland, Nederland) zijn het de eigenzinnige talenten op wier schouder de nationale filmindustrie rust. De Italiaanse collega's van Pedro Almodovar en Alex de la Iglesia, van Danny Boyle en Andrew MacDonald, van Robert Jan Westdijk en Eddy Terstall, zijn degenen die het moeten doen. Twee mannen van wie veel verwacht wordt zijn Michele Soavi en Claudio Fragasso, die met Dellamorte Dellamore en Palermo Milano Solo Andata hoge ogen gooiden op diverse internationale festivals.
Dat beide heren afkomstig zijn uit het exploitation-circuit van de jaren tachtig doet een kleine lach van tevredenheid op mijn gezicht verschijnen.
Volgende keer: eindelijk! De Italiaanse kannibalenfilm ontleed.
Tom Mes
  
|